Differentiëren met fictie


Kunnen differentiëren wordt gezien als één van de basisvaardigheden die een docent moet hebben. Differentiëren is het bewust, doelgericht aanbrengen van verschillen in instructie, leertijd of leerstof binnen een (heterogene) groep of klas leerlingen, op basis van onder andere hun prestaties. (Berben, 2014)

 

Verschillen in een klas 
Binnen de klas kunnen de verschillen tussen de leerlingen bij het onderdeel fictie erg uiteen lopen. De één leest wekelijks een boek, terwijl de ander alleen leest als de docent Nederlands dat vraagt. Hierdoor ontstaan grote verschillen in lees- niveau, tempo en plezier. Door te differentiëren kunnen alle leerlingen werken op hun eigen niveau.

 

 

Waarom differentiëren met fictie? 

 Doordat er een groot verschil zit tussen lezers en niet-lezers qua ontwikkeling op het gebied van woordenschat en taalvaardigheid. Kunnen leerlingen een achterstand oplopen. Uit onderzoek blijkt dat 13,8% van de Nederlandse leerlingen (…) laaggeletterd genoemd kan worden (Christoffels, Groot, Clement, & Fond Lam, 2017).

Afname leesplezier
Eén van de redenen waarom leerlingen minder lezen is het verminderde leesplezier. Vmbo-leerlingen laten een afname in leesplezier zien (van 2,1 in klas 2 naar 1,8 in klas 4) en een verdere toename van leesvermijding (van 2,3 naar 2,5). De trend naar minder leesplezier en meer leesvermijding zet dus door in het vmbo. Dat levert een fikse uitdaging op voor vmbo-leraren, maar ook voor bovenbouwleerkrachten in het basisonderwijs (Van Tuijl & Gijsel, 2015).

 

Door de bovengenoemde elementen komt er bij differentiëren bij het onderdeel fictie meer kijken dan alleen uitzoeken wat de verschillende niveaus van de leerlingen zijn. Hoe ouder de leerlingen worden des te minder plezier beleven ze aan lezen. Fictie is een belangrijk onderdeel van het van Nederlands, omdat het o.a. zorgt voor een grotere woordenschat die weer van pas komt bij andere vakken.